Categorie archief: Verhalen

Het onnavolgbare leven van een blogger – 2

Illustratie: Redstar

“Wie geen biograaf kan vinden, moet zijn leven zelf verzinnen.”

Met een droge klik slaat de memorecorder uit. Het duizelt me op alle fronten. Kan het nog erger? Wat moet ik hiermee? Hoe schrijf ik met deze warrige gegevens een aardig verhaal over het onnavolgbare leven van een blogger? Waar te beginnen? Moet ik hier überhaupt wel aan beginnen? Zal ik niet eerst nog een andere blogger interviewen, of misschien wel een paar, om een degelijk onderbouwd verhaal te kunnen neerzetten? Ze zullen toch niet allemaal man/vrouw/zonderling inéén zijn? Waar ben ik aan begonnen! Een gespleten bloggerspersoonlijkheid. Dat verzin je toch niet??!! Hoewel, onnavolgbaar is dit zeker en ergens ook wel humoristisch. Joh, wat een verhaal. Ik vroeg me ook al af waarom hij zo ziekelijk bleek zag. Geen wonder dat die man zo uitgeput was.

Mijn interview met de eenzame blogger ging tamelijk gewoon van start, maar de wallen onder zijn ogen, de euforische uitdrukking op zijn gezicht en de manier van antwoorden hadden me moeten waarschuwen.
“Hoe word je blogger?” vroeg ik aan de man (of was het een vrouw?) voor me, terwijl mijn Voice Tracer door mijn stem werd geactiveerd. Handig zo’n ding, je hoeft nergens naar om te kijken; de microfoon neemt alle stemgeluiden op, maar onderdrukt het achtergrond-lawaai, wat erg nodig was in het rumoerige café waar wij hadden afgesproken.
“Je wordt geen blogger, je bènt blogger,” zuchtte hij met wijd opengesperde ogen, “bloggen is niets bijzonders en het kan overal. En ook al zie je het niet aan zijn buitenkant; diep van binnen is een blogger heel erg zichzelf.” Hij lachte hol.
Maar, las ik de tweede vraag van mijn blocnootje op, wanneer en waarom was hij zelf ooit gaan bloggen?
Misschien vond ik dat vreemd, maar daar had ie nou nog nooit echt over nagedacht: “Ineens was het er. Plotseling kon je overal op internet een blog beginnen, dus dat deed ik, telkens opnieuw.” Zijn glimlach werd triest, zijn ogen werden vochtig.
En hoe kwam hij aan zijn onderwerpen? Een vage reactie was mijn deel: “Tja, kijk, hm, geen idee. Je leest of je hoort eens wat. Je ziet dingen, of je bedenkt iets en daar blog je dan over.” Zijn stem vervaagde, zijn waterig blauwe ogen dwaalden af naar het raam en keken de verte in. Hé, hó, dat ging niet, mijn verhaal moest af en ik had nog niet echt iets om over te schrijven.
“Heb je kinderen?” vroeg ik, om hem weer bij de les te krijgen. Hij leefde op. Twee zoons had hij, en een dochter en hij had zich geen leukere en lievere kinderen kunnen bedenken. Bedenken? Had hij nou kinderen, of had hij ze bedacht?
Vond ik misschien ook raar, maar dat wist hij niet zeker, want hij had ze al enige tijd niet meer gezien, dus ehm… of ik verder wilde gaan, want hij was ontzettend moe en verlangde naar zijn bed. Wilde ik misschien wat horen over zijn hobby’s?
Voor ik iets terug kon zeggen, somde hij op; “Schrijven, bloggen, films kijken, fotograferen, naar het theater. Ik lees natuurlijk graag, ook blogs van anderen. En ik ga wel eens stappen met mijn bloggende vrienden.”
En dat moest ik geloven? Hij zag hij eruit alsof hij jaren ondergedoken had gezeten, dus ik vroeg door. Wat was er nou werkelijk met hem aan de hand? Hij aarzelde kort, maar begon toen met zachte stem te vertellen.

Over de quasi sospeso, over Aliza, de moeder van zijn virtuele leven en tegelijk zijn bruid en zijn kind. Over de narcistische hoer met haar foeilelijke schrijfsels. Over de zelfingenomen intrigant met zijn schijneruditie. Over de nuchtere poëet, en over diens zuster, de misbruikte, maar tegelijk het giftige serpent.

Hij liet zich niet meer onderbreken en ik luisterde met stijgende verbazing. Als in één ademtocht blies hij zijn verleden in mijn opname apparaatje. Hij verhaalde over de druk die hij voelde en over zijn nachtmerries. Over zijn angst voor de eisen die zijn zelfbedachte personages aan hem stelden. En hij vertelde over zijn verloren ego. Bijna was hij eraan bezweken, maar hij bleek sterker dan zichzelf. Zijn verleden bestond niet meer. Wie hij was geweest, wist hij niet, maar dat maakte niets uit. Hij vond zichzelf gewoon opnieuw uit…

Ik heb het gesprek nu drie keer afgeluisterd en mijn hemel, hier ben ik mooi klaar mee!

Dit verhaal is het tweede deel van het tiendelige OBA- verjaardagsfeuilleton Het onnavolgbare leven van een blogger.
Deel een werd geschreven door Prometheus en geïllustreerd door Jezzebel.
Het derde deel komt van de hand van Aline, met een illustratie van Selma.
Deel vier is bij elkaar gehyperd door Fredvanderwal, en werd geïllustreerd door Isis.
Deel vijf is geschreven door Simen Vrederat, met illustratie van Ina Dijstelberge .
Deel zes komt van sjaal en werd geïllustreerd door misja
Deel zeven is geschreven door Spuit 11 en de illustratie is van Assyke.
Deel acht is ontsproten aan de fantasie van selmasalo en Aline tekende voor de illustratie.
Deel negen is een co-productie van Moleskine en Beeldsprekers.
De razendknappe coda (het eindstuk of het slot) van dit geheel werd gecomponeerd door Jezzebel, die ook de illustratie voorhaar rekening nam.

Het verhaal van Aagje

Lang geleden woonde er in Enkhuizen een zilversmid met zijn vrouw Aagje. Aagje was niet alleen knap, maar ook intelligent; ze kon rekenen, lezen en schrijven, bemoeide zich met de smederij en luisterde naar gesprekken met de klanten.
Op een dag was schipper Freek bij hen op bezoek. Hij vertelde over zijn reizen en Aagje hing aan zijn lippen. Zijn volgende trip ging naar Antwerpen en Aagje wilde daar graag heen. Toevallig had de smid nieuw materiaal nodig en zilver was goedkoop in Antwerpen, dus Aagje mocht met Freek mee om inkopen te doen. In Antwerpen woonde een neef van de smid, Jan van Spanje, die haar de juiste adressen kon geven. De honderd guldens die Aagje meekreeg voor de handel gingen in een linnen zakje onder haar kleren en blij ging ze aan boord, geïnteresseerd in wat komen zou.

In Antwerpen handelde de schipper eerst zijn eigen zaken af. Aagje wachtte tot hij terugkwam, maar dat duurde zo lang, dat ze alvast op verkenning ging. Tenslotte was ze een stadse meid en niet op haar mondje gevallen. Ze schreef een briefje voor Freek en ging op pad.

Op de kade kwam ze een goedgeklede jongeman tegen die haar met een buiging begroette.
“Goedendag, mijn nichteken,” zei hij en daardoor dacht ze dat het haar mans’ neef was. Ze wist niet dat in Antwerpen meisjes vaak nichteken genoemd werden. Leuk dat hij mij tegemoet komt, dacht ze en ze antwoordde; “Goedendag neef Jan, hoe gaat het met u?”
“Met mij gaat het goed, dank u,” zei de man, die ook Jan heette, “zal ik u de stad laten zien?” Dat wilde Aagje wel, dus liepen ze samen verder. Onderweg vertelde ze enthousiast over Enkhuizen, de edelsmederij, de boottocht met schipper Freek, en de honderd gulden die ze bij zich had voor zilver. Toen ze bij een taveerne aankwamen, stelde de man voor om eerst wat te drinken. Lustte ze bier? “Welzeker,” zei Aagje, dat dronken ze in Enkhuizen ook. Dorstig geworden van de lange wandeling, dronk Aagje haar beker snel en gulzig leeg. Maar het bier was lauw en had een hoger percentage alcohol dan thuis. ‘Wat gebeurt er nu?’ dacht ze, waarna ze draaierig werd en sterretjes zag. Toen zakte ze van haar stoel.

Adriaen Brouwer -drinkende boeren

Daar had de man op gewacht. Hij tilde haar op en droeg haar naar de binnenplaats, waar hij wellustig langs haar ronde vormen graaide. Hij kleedde haar uit tot op haar hemd en vond het linnen geldzakje tussen het zachte vlees van haar borsten. Daarna liet hij Aagje liggen om haar roes uit te slapen en ging weer naar binnen om verder te drinken.
Toen het geld op was, kwam hij terug met een paar vrienden, maar Aagje was nog steeds buiten kennis. Lachend en luidkeels zingend, stopten ze haar in een  rieten mand en sleepten die naar de stoep van een deftig huis.  Daar lieten ze haar voor oud vuil achter.

De volgende ochtend opende Aagje, verstijfd van de kou, voorzichtig haar ogen. Tot haar ontzetting lag ze buiten, in haar hemd. Waar was ze? Wat was er gebeurd? Waar waren haar kleren? Waar was het geldzakje? Door haar wimpers keek ze omhoog. Tientallen onbekende mensen stonden om haar heen en staarden haar aan. Beschaamd sloeg ze haar armen om zich heen. De tranen rolden over haar wangen. Wat moest ze doen? De schande!
“Laat me er door. Dat is Aagje. Ik heb haar de hele nacht lopen zoeken. Ze hoort bij mij.” hoorde ze ineens een bekende stem roepen. Aagje kromp ineen. Dat schipper Freek haar in deze toestand zag. Wat moest hij van haar denken? Freek dacht niets, maar tilde haar op en wikkelde haar in zijn mantel. Zo liep hij terug naar zijn schip, waar Aagje, weer aangekleed en met een beker warme chocolademelk voor zich, vertelde wat er was gebeurd.

Eenmaal terug in Enkhuizen, was iedereen al snel op de hoogte van Aagjes avontuur in Antwerpen. En hoewel er destijds nog geen sprake was van roddelbladen, werd haar naam toch in heel Nederland synoniem voor belangstellende en geïnteresseerde mensen die (te) veel willen weten.

Naar Abraham Bormeesters’ Kluchtigh Avontuurtje van ‘t Nieuwsgierigh Aeghje van Enckhuysen uit 1662.

Tumult in de Tuinstraat

“IJssie prieeeemaa!! IJssie prieeemaaaa!!!”
Galmend klonk de stem van de man achter de ijskar door de lege straten. Alsof hij een toverformule had uitgesproken, kwamen plotseling van her en der kinderen van allerlei formaat de deuren uitrennen. De Tuinstraat, die er kort tevoren nog had uitgezien alsof er helemaal geen kinderen woonden, was ineens bevolkt met Pietjes, Mientjes, Jopies en Keessies; hun knuistjes stevig om de stuivertjes geknepen.
“Eentje fan fijf.” “Ik eentje fan een duppie.” “Op een stokkie, met sukkela,” klonk het van alle kanten.
De ijscoman, die zijn pappenheimers kende, brulde “dattie dóór sou rije, asse se niet opsij ginge dattie d’rbij kon,” De kleinste schoffies gingen eerbiedig opzij, hun plaats onmiddellijk ingenomen door de grotere met meer lef. Maar Ko had het gezien: “Naor achtere aopekop,” zei-d-ie met rollende ogen, waarop ze verschrikt achteruit stoven, met vuurrode wangen. “Wie ister an de beurt?”vroeg Ko en hij zette zijn hand aan het glimmende taartvormige deksel. Als op commando drongen de kinderen weer naar voren en staken hun groezelige knuistjes in de lucht.
“Ikke, ikke”
“Nee, sniewaar, ikke!”
“Ach, duufel toch op. Jij komp der net an”.
“Nietes, ik sting d’r aldoor al.”
Een van de Pietjes stompte een ander tegen zijn rug.
“Hee, kejje niet uitkijke, gifkikker,” schold zijn vriendje en mepte de stomper op zijn hoofd. Die, ook niet misselijk, probeerde de ander aan zijn oren op te tillen. Plotseling ontstond er één schreeuwende, vechtende kluwen duwende kinderen.
“Hei, hei, hei, hou daor es mee op,” riep de ijsman. Tevergeefs, want ze hoorden hem niet in het vuur van hun kinderlijke ongenoegen. 

Als bij toverslag stond er een brede vrouw naast de ijskar. Ze greep een vechtend jongetje in zijn kraag en zette hem achteraan.
“Soo, en nouw opsodemietere”, zei ze streng, “en ophouwe, anders sel ik welderis naor je moer gaon,” en ze pootte haar grove handen op haar heupen, klaar om meteen weer in te grijpen als dat nodig mocht zijn. De moeder van het naar achteren geschoven kind kwam kijvend op het groepje af.
“Wie sit er met se poute an me kind?” riep ze met schelle stem. De brede keerde zich rustig om;  “Hat je wat?”
“Ja, ik hat seker wat; je hep met je tengels fan maain Keessie af te blaaife.” De magere duwde tegen de arm van de brede, die terugduwde. Nog meer vrouwen kwamen op het geharrewar af, hun handen – nog nat van het sop – afdrogend in hun rafelige schorten. Al gauw waren ze gewikkeld in een oorverdovend tumult van schelden en duwen en priemende vingers.

Foto gevonden op internet van SjoHi: http://www.hq-photo4u.nl/

Ko keek het toneeltje even aan, gebaarde toen naar de kinderen dat ze opzij moesten gaan en duwde zijn kar honderd meter verder het straatje in, de kinderen in een lange sliert met zich mee voerend. Daar begon hij op zijn gemak zijn ijs aan de kleine man te brengen. Hij strekte zijn arm uit en gebood de kinderen in een lange rij te gaan staan.
“En nouw één foor één, zei hij knipogend, “wie ister an de beurt?” Rustig schoven de kinderen één voor één langs de kar, pakten het verlangde ijsje aan en liepen verzaligd likkend langs hun kijvende moeders, om even verderop, broederlijk naast elkaar op de stoep gezeten, hun kostelijkheden te verorberen.

Gestolen goed

Loes kwam op het idee door een artikel in de krant die ze in de bibliotheek las als Joery naar school was. Een abonnement kon ze niet betalen en zo spaarde ze ook meteen wat verwarmingskosten uit. In het ochtendblad stond een interview met het plaatselijke Comité Bijstandsmoeders en een artikel over een actie tegen de kortingen op de uitkeringen. Ze las het tweemaal door en liet de krant toen langzaam zakken. Ze wreef haar wijsvinger over haar neus en overwoog of ze zich bij het Comité zou aanmelden. Technisch gesproken was ze geen bijstands-, maar wel een alleenstaande moeder en met haar WW-uitkering zat ze maar net boven het minimum. Dat kwam praktisch op hetzelfde neer.

Toen Loes om twaalf uur voor de schooldeur op haar zoontje stond te wachten, was ze vastbesloten. Als protest tegen de lage uitkeringen, zou ze voor één keer proletarisch winkelen met een grote groep vrouwen. Als het meezat, hoefde ze dan geen cadeautje te kopen voor Joery’s verjaardag over drie dagen.
De deuren klapten open en de school braakte haar leerlingen uit. Zoals gewoonlijk kwam haar zoon als een van de laatsten rustig naar buiten stappen. Die nam overal uitgebreid de tijd voor. Hij vond het niet nodig om gillend en joelend naar buiten te stormen. Hij kwam er zo ook wel.
“Hoi mam,” zei hij en hij liet zijn handje vertrouwelijk in de hare glijden.
“Hallo knul,” ze woelde even door zijn haar, “ga je mee? We eten bij oma, want ik moet ergens heen. Oma brengt je vanmiddag weer naar school.”
“Oké.” Hij vroeg niets. Ook haar moeder vertelde ze niet wat ze ging doen. Ze mompelde iets over vrouwenactie en ging er na de lunch snel vandoor.

Er was die middag actie bij Kom Tot Koop aan de Walskade. Om half twee precies zouden tientallen vrouwen tegelijk naar binnen gaan en hun slag slaan. Met een knagend gevoel in haar maag fietste Loes erheen. Ze moest naar de wc. Een diepe zucht ontsnapte haar. Ze kneep haar billen samen en reed ongemakkelijk verder. Een mens moest wat over hebben voor spanning en avontuur. Met slappe knieën koerste ze drie keer de Walskade helemaal af voor ze durfde stoppen bij een groepje vrouwen. Het duurde even voor ze het slot los had en ze de fiets aan een paal kon vastmaken. Daardoor stapte ze als één van de laatsten de winkel binnen.
Aan het eind van het pand was al enige beroering ontstaan.“Ze nemen alles zó mee!” gilde een meisje achter de kassa, “ze betalen niet. Meneer de Bruin… ze lopen zó weg!”
Vanuit haar ooghoeken zag Loes de bedrijfsleider driftig gebaren naar een groepje personeelsleden dat bij elkaar klonterde. De meeste kassa’s waren onbemand. Haar hart bonkte als een bezetene. Voorzichtig liep ze een stukje verder. Plotseling bleef ze staan. Iemand riep om de politie!
Ojé, dacht ze, daar heb je het al en ik heb nog niets gepakt. Opschieten voor het te laat is. Links en rechts griste ze spullen van een toonbank en gooide ze in haar tas. Even verderop propte ze er twee panty’s bovenop, gevolgd door een paar sokken. Ze keek om zich heen. Waar was het speelgoed? Nergens te zien. Dan maar wat snoep. Ook goed. Gejaagd rende ze naar de chocolaterie en deed een wilde greep in de keurig verpakte zakjes. Thuis keek ze wel wat het was. Nu moest ze zo snel mogelijk weer naar buiten. Ze voelde er niets voor zich op te laten pakken. De bedrijfsleider sprong heen en weer om iedereen tegen te houden, maar Loes slaagde erin om ongemerkt de winkel weer uit te komen. Buiten haalde ze opgelucht adem. Vlug wandelde ze naar huis. Haar fiets liet ze staan. Die haalde ze later wel op.

Thuis inspecteerde ze de inhoud van haar tas; wat gebroken glaswerk, een kopje met een los oor, twee panty’s maat 36 (zelf had ze 42), een paar herensokken en drie zakjes van de meest walgelijke snoepjes die ze zich kon voorstellen; amandelbonen. Ze haalde haar schouders op, schoof de hele handel in een plastic zak en deponeerde dat in de vuilnisbak. Een oude krant erbovenop. Ziezo, avontuur voorbij. Gestolen goed gedijt niet, dat had ze in feite altijd al geweten. Ze keek op haar horloge. Zó laat al; dan moest ze rennen om op tijd bij school te zijn.

De volgende ochtend deed ze, met Joery aan de hand, aangifte van haar gestolen fiets.

.

(dit verhaal werd eerder geplaatst op web-log.nl en ikvertel.nl)